Naar de inhoud

Rood of groen: aan welke kant hoort die ton?

De hele betonning is opgezet vanuit één gedachte: iemand die vanaf zee ons land binnenvaart. Wie die richting kent, weet altijd aan welke kant hij moet zitten.

Laurens Leeuwenberg · Docent Klein Vaarbewijs, oprichter Vaarbewijsinstituut

Bijgewerkt 4 augustus 20263 min lezen

Kort antwoord: vanaf zee landinwaarts varend houd je de groene spitse tonnen aan stuurboord en de rode stompe tonnen aan bakboord — dezelfde kleuren als je eigen boordlichten. Vaar je naar zee toe, dan is het precies andersom.

De gedachte erachter

De betonning is bedacht voor iemand die ons land vanaf zee binnenkomt en de weg niet kent. Hij hoeft maar één ding te weten: groen zit aan stuurboord, rood aan bakboord — net als zijn eigen boordlichten. Kleur op kleur varen dus. Alle nummering volgt diezelfde richting: die begint bij zee en loopt landinwaarts op, met oneven nummers op de groene tonnen en even nummers op de rode.

Vorm en topteken

  • Groen is spits — een kegel. Heeft de ton een topteken, dan is dat een groene kegel.
  • Rood is stomp — een cilinder. Het topteken is dan een rode cilinder.

Vorm en kleur zeggen dus hetzelfde. Dat is met opzet: bij tegenlicht, in de schemering of bij kleurenblindheid blijft de vorm leesbaar.

Zie je een smalle, hoge markering, dan is dat een sparboei. Die wordt gebruikt op plekken met stroom of ijsgang: de stroom trekt hem minder snel onder water en ijs glijdt eraf. Vervangt hij een stompe ton, dan is hij cilindervormig; vervangt hij een spitse ton, dan loopt hij spits toe.

Eén ton, geen tweede: wat nu?

Tonnen worden zo spaarzaam mogelijk gelegd. Vaak zie je er maar één. De vraag is dan niet "waar ligt de geul" maar "aan welke kant hoort deze ton". Bepaal daarvoor eerst je richting ten opzichte van zee. Ga je landinwaarts, dan houd je groen aan stuurboord. Ga je naar zee, dan houd je groen aan bakboord.

Op de rivier: linker- en rechteroever

De oevers worden benoemd vanaf de bron gezien, richting zee. Dat is precies tegengesteld aan de betonningsrichting, en daar gaat het vaak mis. Kom je vanaf zee, dan heb je de linkeroever aan stuurboord en de rechteroever aan bakboord. Vaar je met de stroom mee, dan klopt het intuïtieve beeld wel: rechteroever aan je rechterhand.

Het voordeel van deze afspraak: er is maar één linker- en één rechteroever, ongeacht wie waarheen vaart. In het marifoonverkeer kan daar dus geen misverstand over ontstaan.

Kribbakens

Op rivieren liggen kribben: dammen dwars op de stroom die de hoofdstroom in het midden houden, zodat er meer diep water is. Aan het uiteinde staat meestal een kribbaken:

  • op de linkeroever een groene driehoek met de punt omhoog — dezelfde vorm als een groene spitse ton;
  • op de rechteroever een rood baken met de punt omlaag.

Kribbakens zijn niet genummerd; drijvende markering zoals tonnen en boeien wel.

Blijf uit de buurt van kribben. Tussen twee kribben ontstaat een neer: een tegenstroom die langs de oever terugloopt en weer door de hoofdstroom wordt aangezogen. Dat trekt merkbaar aan je boot.

Twee stelsels in Nederland

Binnen de zeedijken geldt SIGNI, het binnenvaartsysteem. Buiten de zeedijken geldt IALA-A: dat betreft de Waddenzee, de Westerschelde en de Eems en Dollard. Voor het gebruik in de praktijk verandert er weinig — de kleuren blijven wat ze zijn — maar het onderscheid komt op het examen terug.

Bij ton en baken hoort een licht

's Nachts herken je markering aan haar lichtkarakter: isofase (even lang aan als uit), schitterlicht (kort aan, lang uit) en onderbroken licht (lang aan, kort uit). Achter het karakter staat op de kaart de periode, bijvoorbeeld Iso.4s of Fl.6s. Door die verschillen weet je niet alleen dát er een ton is, maar ook welke.

Markering rond gevaren werkt anders: zie cardinale betonning. De borden langs de kant staan in verkeerstekens op het water, en de hele betonning komt met beeldvragen terug in les 6 van de cursus Klein Vaarbewijs 1.

Aanloop

Deze stof zit in het examen

De cursus Klein Vaarbewijs 1 behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden.