De tekens van andere schepen: wat ze je vertellen
Een bol, een kegel of een ruit aan de mast is geen versiering. Het is de manier waarop een schip je vertelt wat het is en wat het van je verwacht.
Laurens Leeuwenberg · Docent Klein Vaarbewijs, oprichter Vaarbewijsinstituut
Bijgewerkt 4 augustus 20263 min lezen
Kort antwoord: dagtekens zijn zwarte, gele, rode of blauwe vormen die een schip overdag toont; 's nachts hoort er een lichtenbeeld bij. Ze vertellen je of een schip groot is, gevaarlijke lading heeft, aan het werk is, beperkt manoeuvreert of voorrang heeft.
De tekens die iets van jou vragen
Gele ruit. Een passagiersschip dat korter is dan 20 meter maar meer dan 12 passagiers mag vervoeren, toont overdag een gele ruit. Daarmee zegt het: ik ben wettelijk een groot schip, ook al zie ik er klein uit. Jij verleent dus voorrang.
Blauwe kegels. Eén blauwe kegel met de punt omlaag betekent licht ontvlambare lading, zoals benzine. In een sluis of op een ligplaats houd je dan minstens 10 meter afstand. Twee blauwe kegels betekent brandbare, giftige stoffen: minstens 50 meter afstand. 's Nachts horen daar blauwe rondom schijnende lichten bij, in hetzelfde aantal.
Rode bol en twee groene ruiten. Een drijvend werktuig in bedrijf — een zandzuiger of baggervaartuig — toont aan de kant waar je níet voorbij mag een rode bol, en aan de kant waar dat wel mag twee groene ruiten onder elkaar. Vaar dus langs de groene kant, en minder vaart.
Blauwe duikvlag met een hap eruit. Onder water zijn duikers bezig, tot 15 meter rond de vlag. Minder ruim op tijd vaart, veroorzaak geen hinderlijke waterbeweging en blijf er zo ver mogelijk vandaan — geluid draagt onder water ver en een duiker kan de richting ervan niet bepalen. 's Nachts wordt de vlag verlicht.
Rode wimpel op het voorschip. Dit schip heeft recht op voorrang, ook bij bruggen en sluizen (voorschutting). De wimpel wordt gevoerd door toezichthoudende diensten en brandweerboten met spoed, en soms door schepen aan wie dat recht is toegekend.
Blauw rondom schijnend flikkerlicht. Toezicht, opsporing of een brandweerboot onderweg. Een geel flikkerlicht betekent: dit schip voert werkzaamheden uit in of nabij het vaarwater.
Wat ze zeggen over hoe een schip vaart
Twee zwarte kegels met de punten naar elkaar (diabolo). Een vissersschip dat daadwerkelijk met netten of lijnen vist. Het is dan een groot schip, ongeacht de lengte. Hengelen vanaf een bootje valt daar niet onder.
Gele sleepcilinder met zwart-witte banden. Dit schip sleept een groot schip en telt daarmee zelf als groot schip. Het gesleepte schip voert een gele bol. 's Nachts: twee witte toplichten onder elkaar op het slepende schip, en een geel heklicht in plaats van een wit — dat valt beter op tussen alle witte lichten voor degene die achter je gesleept wordt.
Twee gele snelle flikkerlichten boven elkaar. Een snel schip: een groot motorschip dat meer dan 40 km/u kan. Het moet voor alle andere schepen wijken, ook voor kleine — maar reken op de snelheid waarmee het nadert.
Het blauwe bord is geen dagteken
Toont een tegemoetkomend groot schip aan stuurboord een lichtblauw bord met witte rand en een wit flikkerlicht, dan vraagt het om stuurboord op stuurboord te passeren. Het is geen mededeling over wat het schip ís, maar over wat het wíl. Kijk goed achterom en ga bij voorkeur naar de kant van dat bord. Zie verkeerstekens op het water.
Waarom dit meer is dan examenstof
Deze tekens zijn de enige manier waarop een schip zonder marifoon je iets kan vertellen. Het verschil tussen "die boot ligt daar wat te rommelen" en "dat is een werktuig in bedrijf en ik moet aan de groene kant langs" bepaalt of je een situatie ziet aankomen of erin belandt.
Het lichtenbeeld hoort erbij: zie welke lichten je 's nachts voert, en voorrang op het water voor wat je met die informatie doet. Oefenen kan met beeldvragen in de cursus Klein Vaarbewijs 1.
Onderwerpen
Verder lezen
- Verkeerstekens op het water lezenJe komt op het water zelden een bord tegen. Staat er een, dan is het belangrijk — en de kunst zit vooral in het lezen van de pijlen.
- Voorrang op het water: wie moet wijken?De meeste voorrangsvragen los je op met drie regels in de goede volgorde. De fout die het vaakst gemaakt wordt: beginnen bij zeil versus motor.
- BPR of RPR: welk reglement geldt waar?Op vijf Nederlandse vaarwegen geldt een ander reglement. Het belangrijkste verschil in één zin: onder het RPR wijkt klein altijd voor groot.
Aanloop
Deze stof zit in het examen
De cursus Klein Vaarbewijs 1 behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden.