Naar de inhoud

De waterkaart lezen: diepte, hoogte en waterstanden

D196 betekent 19,6 meter en niet 196 meter. Wie de eenheden op een waterkaart kent, weet vooraf of hij ergens onderdoor en overheen kan.

Laurens Leeuwenberg · Docent Klein Vaarbewijs, oprichter Vaarbewijsinstituut

Bijgewerkt 4 augustus 20263 min lezen

Kort antwoord: dieptecijfers op een waterkaart staan in decimeters, hoogtes worden gerekend ten opzichte van NAP en de doorvaarthoogte lees je ter plekke af op de hoogteschaal bij de brug — die geeft de ruimte die er op dát moment is.

Diepte

Op de waterkaart staat een dieptecijfer als bijvoorbeeld D196. Dat is 196 decimeter, dus 19,6 meter. Reken je dat verkeerd om, dan sla je bij het ankeren de plank mis: met de vuistregel van drie- tot vijfmaal de waterdiepte aan lijn zou je daar tot honderd meter lijn nodig hebben. Zie ankeren.

Diepte is geen vaststaand gegeven. Op rivieren en getijdenwater verandert hij met de afvoer en het getij; in plassen en havens verandert hij door aanslibbing. De kaart geeft een referentie, geen garantie.

NAP

Hoogtes en waterstanden worden in Nederland gerekend ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil. Een waterstand van "NAP −0,40 m" betekent veertig centimeter onder dat referentievlak. Voor jou telt vooral het verschil: als het peil daalt, wordt het water onder je kiel ondieper én de ruimte onder een vaste brug juist groter.

Doorvaarthoogte: kijk naar de schaal, niet naar de kaart

Bij steeds meer bruggen staat een hoogteschaal: meters in afwisselend gele en zwarte blokken, onderverdeeld in stukken van 50 en 10 centimeter. Je leest er tot op tien centimeter nauwkeurig af hoeveel ruimte er nú is.

De leesregel is belangrijk: zolang het volgende cijfer niet volledig zichtbaar is, heb je dat aantal meter nog niet. Zie je de 9 nog niet helemaal, dan is de doorvaarthoogte iets minder dan 9 meter. Hoogteschalen staan vaak een stuk vóór de brug, zodat je op tijd kunt beslissen of je wacht op opening.

Zet die waarde af tegen je kruiphoogte: de hoogte van je schip vanaf de waterlijn tot het hoogste vaste punt — antenne, radarbeugel, mastlantaarn. Weet dat getal uit je hoofd; het is het enige waarmee je onder tijdsdruk kunt rekenen.

De borden bij een brug

  • Een blauw bord met een witte pijl geeft de aanbevolen doorvaart aan.
  • Een bord met het woord "sport" wijst de opening aan die voor kleine schepen bedoeld is.
  • Een groen-wit teken beveelt aan om aan de groene kant ervan te varen — bijvoorbeeld om je uit de buurt van een pijler te houden, waar de doorvaartopening steeds lager wordt.
  • Eén rood licht betekent dat de beweegbare brug bediend wordt en dat je nog moet wachten.

Wat je verder van de kaart haalt

De legenda van een waterkaart bevat meer dan diepte en hoogte: ligplaatsen en aanlegplaatsen, sluizen (getekend met twee weerhaakjes, met het hoge en lage hoofd te onderscheiden), lichtkarakters van tonnen en bakens, stroomrichtingen en de begrenzing van vaargeulen. In de Wateralmanak deel 2 staat de rest: bedieningstijden, maximumsnelheden per vaarwater en hoe lang je op een aanlegplaats mag blijven liggen.

De praktische controle vóór vertrek

  1. Ken je diepgang en je kruiphoogte, allebei in centimeters.
  2. Zoek de laagste vaste brug en de ondiepste plek op je route op.
  3. Kijk wat het waterpeil doet — stijgend of dalend, en met hoeveel.
  4. Zoek de bedieningstijden op van de bruggen en sluizen onderweg; buiten die tijden ligt je route stil.

Wat te hard varen in ondiep water met je boot doet, staat in zuiging. Deze stof hoort bij het examenonderdeel vaarwegen en meteorologie, goed voor ongeveer 16 van de 80 punten — zie de cursus Klein Vaarbewijs 1.

Onderwerpen

Aanloop

Deze stof zit in het examen

De cursus Klein Vaarbewijs 1 behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden.